Apparaateigenschappen
In het venster Apparaateigenschappen beheert u alle aspecten van de apparaten die op de netwerk-USB-hub van Belkin zijn aangesloten. U kunt hier algemene instellingen opgeven, zoals de naam waarmee het apparaat wordt weergegeven in het besturingscentrum en of het apparaat via de hub automatisch verbinding moet maken met de computer zodra die wordt gestart.
U opent het venster Apparaateigenschappen door een apparaat te selecteren in het besturingscentrum en op Eigenschappen te klikken.
Algemene eigenschappen
Verbindingseigenschappen van apparaten
Verbindingseigenschappen van printers
Algemene eigenschappen
Op het tabblad Algemeen van het venster Apparaateigenschappen kunt u de naam wijzigen waarmee het apparaat in het besturingscentrum wordt weergegeven. Ook worden enkele referentiegegevens van het apparaat weergegeven.Voer bij Weergegeven naam de naam in waarmee het apparaat moet worden weergegeven in het besturingscentrum. Standaard is dit de naam die het apparaat zelf doorgeeft aan het besturingscentrum. De gegevens uit het apparaat worden altijd weergegeven bij Naam van USB-apparaat, ook al verandert u de Weergegeven naam.
Snelheid van apparaat is afhankelijk van de snelheid die het apparaat aankan. De werkelijke snelheid hangt ook af van andere factoren, zoals de netwerkconfiguratie.
De beschikbare snelheden zijn:
Hoge snelheid: dit zijn USB-producten met het logo Hi-Speed USB op de verpakking. Hiermee wordt een snelheid van 480 megabit per seconde bedoeld.
Gemiddelde snelheid: dit zijn USB-producten met het logo Certified USB op de verpakking. Hiermee wordt een snelheid van 1,5 of 12 megabit per seconde bedoeld.
Lage snelheid: lage en gemiddelde snelheid (Low en Full Speed) worden vaak door elkaar gebruikt door fabrikanten.
Op het tabblad Algemeen staan ook referentiegegevens over het apparaat.
Verbindingseigenschappen van apparaten
Op het tabblad Verbinding van het venster Apparaateigenschappen kunt u opgeven of het apparaat automatisch verbinding moet maken met deze computer wanneer de computer wordt gestart. Ook kunt u software selecteren die automatisch moet worden gestart zodra het apparaat verbinding maakt. De informatie in dit onderwerp geldt voor alle apparaten behalve printers. Zie Verbindingseigenschappen van printers voor meer informatie over printers.Schakel onder Verbindingsinstellingen het selectievakje Automatisch verbinding maken met dit apparaat wanneer het besturingscentrum wordt gestart in, als u automatisch verbinding wilt maken met dit apparaat zodra het besturingscentrum wordt gestart. Als u dit selectievakje inschakelt én het selectievakje voor het starten van het besturingscentrum (in Instellingen van de netwerk-USB-hub), dan wordt meteen bij het starten van de computer verbinding gemaakt het apparaat.
Door netwerkproblemen of andere factoren wordt de verbinding met de apparaten soms verbroken. Als het besturingscentrum bij dit soort problemen automatisch opnieuw verbinding moet maken, moet u het selectievakje Verbinding met apparaat proberen te herstellen bij een verbroken verbinding inschakelen. Wanneer u dit selectievakje inschakelt, wordt geprobeerd opnieuw verbinding te maken met het apparaat, net zolang tot er weer verbinding is of de computer wordt afgesloten.
Onder Programma starten geeft u instellingen op voor software die bij het apparaat hoort. Als het apparaat bijvoorbeeld een webcam is, dan hoort daar waarschijnlijk software bij voor het opnemen van video. Wanneer u het selectievakje Programma starten wanneer dit apparaat verbinding maakt inschakelt, kunt u de software selecteren die automatisch moet worden gestart zodra u verbinding maakt met bijvoorbeeld die webcam. U kunt ook Verbinding met dit apparaat verbreken wanneer programma wordt gesloten inschakelen, als het apparaat moet worden vrijgegeven voor gebruik door andere computers zodra u een bepaald programma afsluit. Deze twee selectievakjes kunnen onafhankelijk van elkaar worden ingeschakeld.
Met Bladeren bij Programma gaat u naar het uitvoerbare bestand (.exe) van het programma dat u aan het apparaat wilt koppelen. U kunt het pad naar dit bestand ook rechtstreeks in het veld typen. Na het opslaan van de instellingen wordt alleen de naam van het uitvoerbare bestand weergegeven bij Programma.
Verbindingseigenschappen van printers
Op het tabblad Verbinding van het venster Apparaateigenschappen kunt u specifieke instellingen voor printers opgeven.Onder Verbindingsinstellingen kunt u kiezen uit drie mogelijkheden voor een automatische verbinding met het apparaat.
Schakel het selectievakje Automatisch verbinding maken met dit apparaat wanneer het besturingscentrum wordt gestart in, als deze computer bij het starten automatisch verbinding moet maken met deze printer. Deze optie kunt u gebruiken als de printer alleen wordt gebruikt door deze computer. Als u altijd handmatig verbinding wilt maken met het apparaat via het besturingscentrum, selecteer dan Nooit automatisch verbinding maken; ik maak zelf wel verbinding. Als de printer door meerdere computers wordt gebruikt, dan raden wij Dit is een gedeelde printer; alleen om af te drukken verbinding maken en verbinding verbreken aan. Hiermee wordt automatisch verbinding met de printer gemaakt wanneer u afdrukt. Zodra de printer klaar is met de afdruktaak, wordt de verbinding verbroken en kan de printer worden gebruikt door een andere computer.
Het veld Printer kan worden gebruikt als u een van de automatische verbindingsopties selecteert. Selecteer in de keuzelijst het printerstuurprogramma van deze printer.
Door netwerkproblemen of andere factoren wordt de verbinding met de apparaten soms verbroken. Als het besturingscentrum bij dit soort problemen automatisch opnieuw verbinding moet maken, moet u het selectievakje Verbinding met apparaat proberen te herstellen bij een verbroken verbinding inschakelen. Wanneer u dit selectievakje inschakelt, wordt geprobeerd opnieuw verbinding te maken met het apparaat, net zolang tot er weer verbinding is of de computer wordt afgesloten.
Onder Programma starten geeft u instellingen op voor software die bij de printer hoort. Wanneer u het selectievakje Programma starten wanneer dit apparaat verbinding maakt inschakelt, kunt u de software selecteren die automatisch moet worden gestart zodra u verbinding maakt met de printer. U kunt ook Verbinding met dit apparaat verbreken wanneer programma wordt gesloten inschakelen, als de printer moet worden vrijgegeven voor gebruik door andere computers zodra u een bepaald programma afsluit. Deze twee selectievakjes kunnen onafhankelijk van elkaar worden ingeschakeld.
Met Bladeren bij Programma gaat u naar het uitvoerbare bestand (.exe) van het programma dat u aan de printer wilt koppelen. U kunt het pad naar dit bestand ook rechtstreeks in het veld typen. Na het opslaan van de instellingen wordt alleen de naam van het uitvoerbare bestand weergegeven bij Programma.